MAY

HINTS

Hint 1


Examine the 7 vials in the calendar, and read the description left by the agent. Only 1 vial is filled with 13ml, and only one with 26ml. Bestudeer de 7 flesjes in de kalender, en lees de beschrijving die de agent heeft achtergelaten. Slechts 1 flacon is gevuld met 13ml, en slechts één met 26ml.




Hint 2


Just find two vials in which the contents are in ½ relation to each other. And remember, no other vials can be filled the same way. Vind gewoon twee flesjes waarin de inhoud in een ½ verhouding staat tot elkaar. En onthoud, geen enkele andere flacon kan op dezelfde manier gevuld worden.




Hint 3


There's one vial that is filled to the 2nd notch on the ruler, and one that is filled to the 4th. One can assume the first one is 13ml, and the second is 26. Er is één flacon die tot de 2de streepje op de liniaal gevuld is, en één die tot de 4de streepje op de liniaal gevuld is. Men kan veronderstellen dat de eerste 13ml is, en de tweede 26.




Hint 4


So, how much liquid does each notch on the ruler denotes? Dus, hoeveel vloeistof geeft elk streepje op de liniaal aan?




Hint 5


6.5, of course. 6,5, natuurlijk.




Hint 6


Now look at the note from the agent, and see how much liquid is in those two vials. Kijk nu naar het papiertje van de agent, en zie hoeveel vloeistof er in die twee flesjes zit.




Answer


32.5 + 45.5 = 78.